Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3348.
13. Bij de bespreking van dit middel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 1:402 lid 1 BW houdt in dat de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, tevens de ingangsdatum van de aldus vastgestelde verplichting bepaalt. Dit wetsartikel is een uitdrukking van de rechterlijke vrijheid in onderhoudszaken; de rechter is vrij rekening te houden met de omstandigheden die hij van belang acht. In de parlementaire geschiedenis wordt in dit verband gesproken van een discretionaire bevoegdheid. Zie hierover ook mijn conclusie in de zaak R01/090 waarin ik tevens heden concludeer. Omdat de rechterlijke uitspraak de verplichting tot onderhoud niet schept, kan de rechter de dag met ingang waarvan de alimentatie verschuldigd is bepalen op een datum die ligt vóór de datum van zijn uitspraak. Vereist is daarbij vanzelfsprekend wél dat de onderhoudsverplichting over het aan de uitspraak voorafgaande tijdvak voldoet aan de wettelijke maatstaven. Ingeval het gaat om het toekennen van een alimentatie aan een gewezen echtgenoot, geldt dan ook de restrictie dat de rechter deze alimentatie niet kan doen ingaan voordat het huwelijk is ontbonden en derhalve niet vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Met betrekking tot de vaststelling op de voet van art. 1:406 BW van de uitkering die de ouder verschuldigd is voor zijn minderjarige kinderen, geldt deze restrictie niet nu de alimentatieplicht jegens kinderen niet afhankelijk is van het feit of de ouders gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest; de rechter kan derhalve de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie doen ingaan op een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking; wél is vereist dat de ouders in die voorafgaande periode niet samenwoonden en dat het betrokken kind toen reeds bij de andere ouder (of een derde, zoals in casu de grootmoeder) verbleef. Zie HR 10 september 1999, NJ 1999, 795 en de conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda; zie voorts de losbladige Personen- en Familierecht (Wortmann), art. 406, aant. 2 en Heida, Alimentatie, de wettelijke onderhoudsplicht, 1997, p. 71-72.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ab4cc8098873834a5457336cdd33684900c9491532ccea27370ff4b0924bd370. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ab4cc8098873834a5457336cdd33684900c9491532ccea27370ff4b0924bd370, en de alinea staat in dat document op bytes 20058 tot 22255.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ab4cc8098873834a5457336cdd33684900c9491532ccea27370ff4b0924bd370 | shasum -a 256