Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3348.

Voor het overige slaagt de in het middel vervatte motiveringsklacht tegen 's Hofs rechtsoverweging 4.6 waarin het Hof oordeelde dat als ingangsdatum van de door de vader te betalen bijdrage moet gelden de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en waarin het Hof dat oordeel motiveerde met de overweging dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot afwijking van dit standpunt moeten leiden. 's Hofs motivering voldoet naar mijn oordeel niet aan de eisen die - zoals ik hiervoor betoogde - ook aan beslissingen als de onderhavige moeten worden gesteld. Partijen hebben in appèl gedebatteerd over de ingangsdatum van de door de vader te betalen bijdrage. De moeder heeft incidenteel appèl ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank om de ingangsdatum te bepalen op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en zij heeft ter toelichting aangevoerd - zoals het middel ook aangeeft - dat zij de echtelijke woning reeds in januari 1999 met het kind heeft verlaten, dat zij sindsdien alle kosten van verzorging en opvoeding op zich moest nemen, dat zij zelf in het geheel geen eigen inkomsten heeft en deze last is gedragen door haar moeder en haar huidige partner en voorts dat de man kennelijk in verband met de ingangsdatum hoger beroep tegen de uitgesproken echtscheiding heeft ingesteld zodat van inschrijving nog steeds geen sprake kan zijn. De vader heeft op dit punt slechts betoogd dat de Rechtbank de alimentatieuitspraak terecht heeft doen ingaan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers aangezien het wettelijk systeem nu eenmaal zo is; het door de moeder aangevoerde is door de vader derhalve inhoudelijk niet bestreden. Met zijn overweging dat het Hof, evenals de Rechtbank, als uitgangspunt voor de door de vader te betalen bijdrage neemt de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en dat "onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot afwijking van dit standpunt zouden moeten leiden", heeft het Hof onvoldoende gerespondeerd op het in appèl gevoerde debat en de in dat kader door de moeder betrokken stellingen temeer nu 's Hofs beslissing niet vanzelfsprekend is; 's Hofs beslissing omtrent de ingangsdatum geeft aldus onvoldoende inzicht in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang. Voorzover het Hof bij zijn gewraakte overweging ervan is uitgegaan dat de ingangsdatum niet kan worden gesteld op een datum vóór die van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ab4cc8098873834a5457336cdd33684900c9491532ccea27370ff4b0924bd370. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ab4cc8098873834a5457336cdd33684900c9491532ccea27370ff4b0924bd370, en de alinea staat in dat document op bytes 24424 tot 27026.