Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Alinea 129 Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3350.

18 HR 25 november 1983, NJ 1984, 297. Zie voorts: W.D.H. Asser, in: Duinkerken/Loth, o.c., p. 427; J.B.J.M. ten Berge in zijn noot (nr. 4) onder HR 29 maart 1997, NJ 1998, 418; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 19e druk (1998), nr. 46; Losbl. Burgerlijke Rechtsvordering (W.D.H. Asser), art. 1 (oud) aant. 4; B.C. Punt, Enkele aspecten van de bevoegdheid om als partij op te treden in het burgerlijk geding, in: Een goede procesorde (1983), p. 101-102. Zie voor het mede voor de burgerlijke rechtsvordering geldende concordantiebeginsel art. 39 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/53338adbec7d4ee666f5b67bf4ead84ede4ce8ed8918c05153034c9b8242e5ab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 53338adbec7d4ee666f5b67bf4ead84ede4ce8ed8918c05153034c9b8242e5ab, en de alinea staat in dat document op bytes 56389 tot 57030.