Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002
Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3350.
2.6 Aan het Land c.s. kan worden toegegeven, dat de eiser die miskent dat hij of de gedaagde de bevoegdheid mist om als partij in een burgerlijk geding op te treden, niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Deze regel kan echter niet op de ontvankelijkheid van de appellant of de eiser tot cassatie in het ingestelde rechtsmiddel worden toegepast: in hoger beroep of in cassatie zal het debat in verband met een ontbrekende bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden, niet de ontvankelijkheid van de appellant of de eiser tot cassatie in diens beroep, maar het oordeel van de lagere rechter over de ontvankelijkheid van de eiser in diens initiële vordering tot onderwerp moeten hebben. Een tegengestelde opvatting zou, vanwege het daaraan inherente risico van uiteenlopende beslissingen over in wezen dezelfde ontvankelijkheidsvraag, tot onaanvaardbare consequenties kunnen leiden. Men denke aan het geval dat het gedaagde bestuursorgaan, dat zich in de feitelijke instanties terecht maar tevergeefs tegen de ontvankelijkheid van de eisende partij heeft verzet en dat zich in cassatie wil voorzien, als eiser tot cassatie wordt tegengeworpen zelf niet-ontvankelijk te zijn. Een niet-ontvankelijkverklaring door de Hoge Raad zou het bestuursorgaan in dat geval afsnijden van de mogelijkheid het (onjuiste) ontvankelijkheidsoordeel van de feitenrechter in cassatie te doen corrigeren. Ook waar in de feitelijke instanties niet-ontvankelijkheid is uitgesproken, heeft de in het ongelijk gestelde partij er mijns inziens recht op dat de hogere rechter zich over dat oordeel uitspreekt en de zaak niet al op de niet-ontvankelijkheid van de voorziening laat stranden.(19) Veegens heeft het in de vergelijkbare context van een mogelijk niet bestaande procespartij een eis van behoorlijke rechtsbedeling genoemd, dat de "partij" op wier naam in eerste aanleg is geprocedeerd, het geding in volgende instanties kan voortzetten.(20) Steun voor mijn opvatting vind ik voorts in het arrest van 25 november 1983, NJ 1984, 297, waarin de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van eiser tot cassatie verwierp, in plaats van eiser tot cassatie in het tegen het betrokken bestuursorgaan (de minister van Onderwijs en Wetenschappen) gerichte cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.(21)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/53338adbec7d4ee666f5b67bf4ead84ede4ce8ed8918c05153034c9b8242e5ab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 53338adbec7d4ee666f5b67bf4ead84ede4ce8ed8918c05153034c9b8242e5ab, en de alinea staat in dat document op bytes 20741 tot 23113.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/53338adbec7d4ee666f5b67bf4ead84ede4ce8ed8918c05153034c9b8242e5ab | shasum -a 256