Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 november 2002

Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 12 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3360.

5. In hoger beroep is het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat het (opzettelijk) niet doen van die aangiften niet is aan te merken als een in art. 68 (oud) AWR strafbaar gesteld feit omdat de verplichting om aangifte te doen nog niet was ontstaan. Betoogd werd dat de plicht tot het doen van aangifte pas ontstaat indien de inspecteur daartoe heeft uitgenodigd, door het toezenden van een aangifteformulier (of het beschikbaar stellen dan wel aanwijzen van een ander medium om de aangifte te doen, vgl art. 6, eerste lid AWR). Zolang een dergelijke uitnodiging niet is gedaan, kan op de belastingplichtige de plicht rusten om die uitnodiging te verzoeken (art. 6, derde lid, AWR). Het nalaten daarvan is als overtreding strafbaar gesteld artikel 69 (oud) AWR, maar de voor toepasselijkheid van art. 68 (oud) AWR vereiste aangifteplicht kan, zo werd gesteld, niet zijn ontstaan vóórdat de inspecteur op de voet van art. 6, eerste lid, AWR tot het doen van de aangifte heeft uitgenodigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe07fef3e78f981074c071294aa22f14d536e650927c628457b7255d42c08ff4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe07fef3e78f981074c071294aa22f14d536e650927c628457b7255d42c08ff4, en de alinea staat in dat document op bytes 5179 tot 6188.