Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 november 2002

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 12 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3360.

15. Een andere uitleg van de in de art. 2a tot en met 2f, 51a, 52a, en 53a WA neergelegde regeling zou niet te verenigen zijn met een doeltreffende heffing. Bedacht dient te worden dat de inspecteur, indien de hoofdregel toepasselijk is dat de accijns wordt geheven van de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, bekend is met de identiteit van degenen die deze belasting verschuldigd kunnen worden. Een juiste heffing door voldoening op aangifte, telkens na afloop van een tijdvak, is daardoor in toereikende mate gewaarborgd. De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats is, omdat hij weet over welk tijdvak de accijns voldaan moet worden en op welk tijdstip dat uiterlijk moet geschieden, in staat om de uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken indien die nog niet mocht zijn gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe07fef3e78f981074c071294aa22f14d536e650927c628457b7255d42c08ff4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe07fef3e78f981074c071294aa22f14d536e650927c628457b7255d42c08ff4, en de alinea staat in dat document op bytes 13910 tot 14733.