Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 50 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3370.

15. Een toezegging is een eenzijdige rechtshandeling van de overheid inhoudende een verklaring omtrent de wijze waarop van een publiekrechtelijke bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt. Een toezegging is slechts bindend indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, waaronder de voorwaarden dat de toezegging een individueel en persoonsgebonden karakter heeft en dat zij gericht is op een specifieke situatie; een algemeen gestelde uitlating over hoe in bepaalde gevallen met beleid wordt omgegaan, vormt geen toezegging. Zie J.M.M. Menu, De toezegging in het privaatrecht, 1994, blz. 10-12 en 106-109; E.R. de Vries, Wat is een overheidstoezegging waard, in: Overheid en onderneming, tussen publiek en privaat ondernemen, 1998, blz. 146-147. Is vastgesteld dat sprake is van een toezegging door een overheidsorgaan in bovenbedoelde zin, dan is deze in beginsel bindend in die zin dat de burger bij niet-nakoming (in ieder geval) schadevergoeding kan vorderen. Zie HR 25 januari 1985, NJ 1985, 559 nt. PAS en HR 19 februari 1993, NJ 1995, 704 nt. MS. De overheid is niet onder alle omstandigheden gehouden een toezegging na te komen. Een onbevoegd gedane toezegging of een toezegging in strijd met de wet is in de regel niet bindend, tenzij de burger gerechtvaardigd heeft vertrouwd op nakoming van de toezegging. Ook kunnen uitzonderlijke en/of gewijzigde omstandigheden rechtvaardigen dat de overheid niet aan haar toezegging is gebonden. Zie bijv. HR 22 februari 1974, NJ 1975, 381; HR 23 juni 1989, NJ 1991, 673 nt. MS; HR 21 juni 1991, NJ 1991, 709; Hof Den Bosch 9 november 1992, NJ 1993, 311; HR 27 november 1992, NJ 1993, 287; HR 10 september 1993, NJ 1996, 3 nt. MS; GHvJ 22 april 1997, NJ 1998, 55; GHvJ 3 december 1996 en 24 juni 1997, NJ 1998, 178. Zie voorts Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, 1999, blz. 361-365; Ten Berge & Michiels, Besturen door de overheid, 2001, blz. 221-231, 260-264, 322-328. Van gerechtvaardigd vertrouwen kan pas sprake zijn indien dit vertrouwen zijn grondslag vond in een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke toezegging. Zie HR 22 mei 1979, NJ 1979, 301.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa27c2fc09b2b7a9ddaba527a26b4e007f011e88cd36abaa3631b4dc1d574bbd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa27c2fc09b2b7a9ddaba527a26b4e007f011e88cd36abaa3631b4dc1d574bbd, en de alinea staat in dat document op bytes 22944 tot 25095.