Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3381.

2.6. De eis van het tweede lid (voldoende bepaaldheid van het object van de overdracht of verpanding) heeft in de rechtspraak veel aandacht gekregen. In HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 m.nt. WMK (rov. 4.2), werd in het wettelijk stelsel besloten geacht het vereiste dat de te verpanden vordering in voldoende mate door de akte wordt bepaald. Dit vereiste betekent niet dat de vordering (d.w.z. het object van verpanding) in de akte moet worden gespecificeerd door vermelding van bijzonderheden. Voldoende is, dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. In HR 16 juni 1995, NJ 1996, 508 m.nt. WMK werd deze maatstaf herhaald ten aanzien van een cessie. In HR 20 juni 1997, NJ 1998, 362 m.nt. WMK, een geval van verpanding, werd de maatstaf herhaald en verfijnd: een onjuiste codering op een pandlijst behoeft niet eraan in de weg te staan dat achteraf aan de hand van objectieve gegevens wordt vastgesteld welke vordering de pandgever als object van verpanding op het oog moet hebben gehad met de desbetreffende aanduiding(11).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0, en de alinea staat in dat document op bytes 20849 tot 21979.