Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3381.
2.9. In gevallen waarin de wet wel een mededeling aan een derde eist (zie de voorgaande alinea), komt voor de uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst ook betekenis toe aan die mededeling. Zie HR 21 april 1995, NJ 1996, 652 m.nt. WMK, waar het ging het om de vraag of was voldaan aan één van de vereisten die art. 1199 (oud) BW voor de vestiging van het pandrecht stelde, namelijk de kennisgeving aan degene tegen wie het in pand gegeven recht wordt uitgeoefend (thans: art. 3:94 BW). De Hoge Raad overwoog dat voor de vestiging van het pandrecht niet alleen van belang is, hoe de overeenkomst tussen pandgever en pandnemer redelijkerwijs dient te worden uitgelegd, maar ook hoe degene aan wie de wettelijk vereiste kennisgeving wordt gedaan de overeenkomst redelijkerwijs heeft behoren te begrijpen. Wanneer een verpanding onverplicht schriftelijk is vastgelegd, mag niet de eis worden gesteld dat zij zodanig is geformuleerd dat daaruit voor derden duidelijk en ondubbelzinnig blijkt welk vermogensbestanddeel wordt verpand.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0, en de alinea staat in dat document op bytes 24411 tot 25458.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0 | shasum -a 256