Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Alinea 77 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3381.
3.3. De subonderdelen 3.1 en 3.2 hebben betrekking op de uitoefening van het pandrecht. Het hof heeft in rov. 4.10 van het tussenarrest overwogen dat, in geval van executie van het pandrecht, de pandgever gehouden is om de verpande software op enigerlei wijze aan de pandhouder ter beschikking te stellen. De klachten berusten op twee uitgangspunten: (i) Wanneer een pandrecht is verstrekt op het auteursrecht, rust daarmee nog niet de verplichting op de pandgever om de software aan de pandhouder ter beschikking te stellen in geval van executie. (ii) Wie aanneemt dat de overeenkomst meebrengt dat de pandgever gehouden is om de software aan de pandhouder ter beschikking te stellen, moet beseffen dat dit slechts een obligatoire verbintenis is. Bij faillissement van de pandgever kan de executerende pandhouder hoogstens een vordering tot afgifte aanmelden ter verificatie. Goederenrechtelijk heeft een dergelijke verplichting tot afgifte van de software geen betekenis, aldus de curator.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0, en de alinea staat in dat document op bytes 45274 tot 46278.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1798940e6968d634a424fd88ff10afa548286c6650d1c567f3380f54522f94d0 | shasum -a 256