Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 september 2002

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 17 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3382.

12. Er is in de litteratuur wel op gewezen dat er in de wetgeving een nevenschikking voorkomt van optreden als bestuurder en aanstalten maken om een voertuig te gaan besturen, vgl. J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeersrecht; De WVW '94, begripsbepalingen en uitgangspunten, Arnhem 1995, p. 74 - 75. Zowel de bestuurder als degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen kunnen worden onderworpen aan een voorlopig ademonderzoek (art. 160, vijfde lid, WVW 1994). Aan beide kan een rijverbod worden opgelegd (art. 162, eerste lid, WVW 1994). Deze nevenschikking levert naar mijn inzicht geen doorslaggevend argument om te betogen dat een strafbare poging tot besturen niet mogelijk is. Veeleer dienen deze bepalingen aldus te worden verstaan dat een rechtmatige toepassing van de daarin neergelegde bevoegdheden niet steeds verbonden is aan de verdenking dat iemand reeds een voertuig heeft bestuurd. Die bepalingen hebben zodoende nadrukkelijk een preventief bereik gekregen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/595082a1ef045b70dc41c0b3d78b120334d046fb224fc50cc9c20709c4dc7682. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 595082a1ef045b70dc41c0b3d78b120334d046fb224fc50cc9c20709c4dc7682, en de alinea staat in dat document op bytes 15159 tot 16174.