Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002

Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3383.

b) De in de rechtspraktijk ontstane figuur van economische eigendom is niet scherp omlijnd. In beginsel wordt ervan uitgegaan dat economische eigendom aanwezig is indien de rechtsverhouding tussen de belanghebbende en de eigenaar meebrengt dat het belang van de zaak de belanghebbende volledig aangaat. Dit betekent dat het (goede en kwade) risico van waardeveranderingen voor de economisch eigenaar is; zie onder meer A-G Loeb in zijn conclusie (onder 2) voor HR 10 aug. 1995, NJ 1996, 614 m.nt. MB, W.G. Huijgen, Economische eigendom (1995), p. 2-4, 6-9, 12 en Asser-Mijnssen-De Haan (2001) nr. 483. In een geval waarin het risico van waardedaling voor de eigenaar en het risico van waardestijging voor de belanghebbende was, werd het bestaan van economische eigendom niet aangenomen (HR 29 mei 1957, BNB 1957, 229). Echter, omdat de inhoud van het begrip economische eigendom niet vaststaat, kan degene die zijn vordering grondt op de economische eigendom van de gedaagde er niet mee volstaan aan te geven dat de gedaagde krachtens een rechtsbetrekking met de juridisch eigenaar wordt aangemerkt als economisch eigenaar. Hij moet duidelijk maken welke inhoud deze rechtsbetrekking in het concrete geval heeft. Daaruit kan worden afgeleid welke belangen de economisch eigenaar aangaan en welke niet. Omdat de eiser bij de rechtsbetrekking waaruit de verdeling van de belangen voorvloeit niet zelf partij is, kan hij niet op grond van art. 843a Rv een afschrift of uittreksel vorderen van de daarop betrekking hebbende onderhandse akte. Volgens art. 843a Rv en de jurisprudentie van de Hoge Raad kan dat slechts indien de onderhandse akte ziet op een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is (HR 18 februari 2000, NJ 2001, 259 m.nt. PV, r.o. 4.1.3). Indien de eiser niet kan beschikken over de gegevens waaruit blijkt welk belang de economisch eigenaar bij de zaak heeft, kan het aantonen van het gestelde belang problematisch zijn. Als de economisch eigenaar het gestelde belang bij de zaak betwist, kan van hem dan ook verlangd worden dat hij deze betwisting motiveert door het verstrekken van voldoende feitelijke gegevens teneinde de wederpartij aanknopingspunten te verschaffen voor een eventuele bewijslevering (vgl. over de verhouding tussen art. 843a Rv en deze regel Vranken onder HR 20 september 1991, NJ 1992, 552 onder 6; zie voor de regel zelf laatstelijk HR 23 november 2001, RvdW 2001, 188). Op deze grond kan hij verplicht zijn de onderhandse akte waaruit de inhoud van de rechtsbetrekking tussen hem en de juridisch eigenaar blijkt, over te leggen. Met behulp van deze gegevens kan de eiser trachten aan zijn bewijslast te voldoen ten aanzien van de verdeling van de belangen tussen de juridisch en de economisch eigenaar.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/100beb7446bb304675c13c929f1cc4c929eca722894565963120cdb5cbc15d0d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 100beb7446bb304675c13c929f1cc4c929eca722894565963120cdb5cbc15d0d, en de alinea staat in dat document op bytes 21290 tot 24083.