Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 september 2002
Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 27 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3389.
Vervolgens heeft het Hof - in cassatie onbestreden - het volgende vooropgesteld: het is de taak en verplichting van de belastingdienst om de uit de wet voortvloeiende materiële belastingschuld in voorkomend geval in een aanslag te formaliseren en vervolgens in te vorderen; art. 21 Invorderingswet 1990 bepaalt dat 's Rijks schatkist een voorrecht heeft op alle goederen van de belastingschuldige; de vordering van de Vereniging jegens [betrokkene], een vordering uit onrechtmatige daad die [betrokkene] jegens leden van de Vereniging heeft gepleegd, is een concurrente vordering zonder wettelijke voorrang of preferentie. Vervolgens oordeelde het Hof dat uit het door de Vereniging vermelde arrest van de Hoge Raad van 5 september 1997 (Ontvanger/Hamm) niet voortvloeit dat de vordering van de Vereniging op [betrokkene] in dit geval bij voorrang uit de opbrengst van de verkoop van de woning dient te worden voldaan. Terecht, aldus het Hof, heeft de Ontvanger erop gewezen dat het aan dit arrest ten grondslag liggende feitencomplex op wezenlijke punten verschilt van de situatie die in dit geding aan de orde is nu zich in het bijzonder in casu niet de situatie voordoet dat een derde als gevolg van een onmiskenbare vergissing een betaling heeft gedaan doch, integendeel, bewust is deelgenomen aan een zogenoemd piramidespel met de kans op groot geldelijk gewin. Evenmin, zo vervolgde het Hof, vloeit deze voorrang voort uit de door de Vereniging vermelde bepalingen van de Leidraad Invordering 1990 aangezien deze bepalingen het oog hebben op een andere situatie en zich niet lenen voor toepassing op de situatie waarin de Vereniging zich bevindt. Daarop heeft het Hof geoordeeld dat de President terecht tot de slotsom is gekomen dat de wens van de Vereniging om voor zich en haar leden, in strijd met de wettelijke voorrangsregels, voordeel te behalen door haar beslag op de woning te handhaven en op die wijze een onderhandse verkoop te beletten, in rechte niet dient te worden gehonoreerd. Het Hof overwoog in dat verband dat naar zijn oordeel het belang van de Vereniging om gebruik te maken van haar onderhandelingspositie jegens [betrokkene] en de belastingdienst onder de gegeven omstandigheden en gelet op de onevenredigheid van de belangen dient te wijken voor het belang van de belastingdienst en [betrokkene] bij een onderhandse verkoop van de woning. Het Hof nam daarbij onder meer in aanmerking dat de overtuiging van de Vereniging dat [betrokkene] nog over aanzienlijke maar niet-traceerbare middelen zou beschikken, niet is gebaseerd op enig objectief en verifieerbaar feit en voorts dat de belastingdienst bereid was de door de Vereniging gemaakte executiekosten tot een maximum van f 12.000,- te vergoeden en de Vereniging bovendien nog voor een bedrag van f 10.000,- schadeloos te stellen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea716bb98be07a77059a6beefdafae0c75725100096af03e4eb2ebca0e0747b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea716bb98be07a77059a6beefdafae0c75725100096af03e4eb2ebca0e0747b6, en de alinea staat in dat document op bytes 14372 tot 17199.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea716bb98be07a77059a6beefdafae0c75725100096af03e4eb2ebca0e0747b6 | shasum -a 256