Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 september 2002
Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 27 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3389.
14. In de onderhavige zaak wordt met het pleidooi voor achterstelling van het voorrecht van de fiscus bij de concurrente vordering uit onrechtmatige daad van slachtoffers van de belastingplichtige gepleit voor een doorbreking van het wettelijk preferentiesysteem met een beroep op de "redelijkheid" en "ongerechtvaardigde verrijking", waarbij de vraag kan blijven rusten of het hier gaat om een vordering of om een verweermiddel (zie hiervoor onder nr. 12, 2e alinea). Dit preferentiesysteem houdt in dat schuldeisers onderling een gelijke rang hebben (de in art. 3:277 BW neergelegde hoofdregel van de paritas creditorum) behoudens door de wet erkende redenen van voorrang die voortvloeien uit pand, hypotheek en voorrechten (die slechts uit de formele wet kunnen ontstaan) en uit de andere in de wet aangegeven gronden (art. 3:278 BW). In de artt. 3:284 e.v. wordt een reeks vorderingen genoemd waaraan voorrang is toegekend. Aan de vordering uit onrechtmatige daad is geen voorrang toegekend. Art. 21 Invorderingswet 1990 verleent voor Rijksbelastingen aan 's Rijks schatkist een voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige, welk voorrecht bovendien een hoge preferentie toekomt; het privilege van het LISV ter zake van premies werknemersverzekeringen waarvan in de onderhavige zaak ook sprake was, staat gelijk in rang met het fiscale privilege. Voor het fiscale voorrecht is een uitgebreide reeks argumenten naar voren gebracht, zoals het algemeen belang dat met de invordering van belastinggelden is gemoeid en de omstandigheid dat de fiscus zijn crediteuren niet kiest. (Zie Invorderingswet, Fiscaal commentaar, Van Oers, art. 21, aant. 3. Zie over het fiscale voorrecht voorts Vetter en Wattel, Hoofdzaken Invordering, 2000, nr. 902 e.v.) In dit wettelijke preferentiesysteem is aldus nauwkeurig aangegeven aan welke vorderingen een voorrang toekomt boven andere vorderingen waarbij uitgangspunt is dat er slechts door de wet erkende redenen van voorrang bestaan; in dat systeem ligt besloten dat voorzover al sprake is van een "verrijking" van de ene schuldeiser ten koste van de andere schuldeiser doordat de ene wel een wettelijk voorrecht toekomt en de ander niet, deze verrijking in beginsel niet als ongerechtvaardigd kan worden aangemerkt omdat deze "verrijking" nu juist door de wetgever is beoogd. Zie ook Schoordijk, die in zijn hiervoor gememoreerde Bregstein college nogmaals met klem betoogde dat het een rechter niet past het preferentiesysteem waarin de wetgever de preferenties en hun volgorde nauwkeurig heeft afgewogen op gronden van ongerechtvaardigde verrijking in het bijzonder of redelijkheid en billijkheid in het algemeen te doorbreken. Een redenering van de soort dat de preferentie van een arbeider van een zaak logischerwijs wel boven die van de fiscus moet gaan omdat zo zonder die bewerking het gehele voorwerp anders niet eens meer zou hebben bestaan, moet verworpen worden. Aldus Schoordijk (a.w., p. 3.).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea716bb98be07a77059a6beefdafae0c75725100096af03e4eb2ebca0e0747b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea716bb98be07a77059a6beefdafae0c75725100096af03e4eb2ebca0e0747b6, en de alinea staat in dat document op bytes 35469 tot 38435.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea716bb98be07a77059a6beefdafae0c75725100096af03e4eb2ebca0e0747b6 | shasum -a 256