Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002

Alinea 12 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3561.

"5.1 Naar het oordeel van de rechtbank kan artikel 20 eerste lid van de Uitleveringswet niet op de door de officier van Justitie voorgestane (ruime) wijze worden uitgelegd. Beslissend immers voor de bevoegdheid van de uitleveringsrechter is de plaats waar de opgeëiste persoon zich fysiek bevindt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Uitleveringswet blijkt dat de wetgever met voordacht voor die aanknoping van de bevoegdheid heeft gekozen om "forumshopping" door de minister van justitie zoveel mogelijk te voorkomen. In het voorliggende geval was de plaats waar de opgeëiste persoon zich bevond op het moment waarop de eerste handeling werd verricht ter inleiding van de onderwerpelijke uitleveringsprocedure ten verzoeke van de Verenigde Staten van Noord Amerika niet gelegen binnen het arrondissement 's-Gravenhage. Weliswaar kan op basis van het tweede lid van genoemd artikel een officier van Justitie ook bevoegd zijn die reeds bij "de zaak" betrokken was, maar de rechtbank verstaat onder "de zaak" in de zin van dit artikellid steeds het onderzoek naar de toelaatbaarheid en inwilligbaarheid van het uitleveringsverzoek ter zake van het feitencomplex waarop dit verzoek door de opeisende partij kennelijk betrekking heeft. Dit houdt dan in dat die in de wet genoemde eerdere betrokkenheid van die officier van justitie gericht moet zijn geweest op het voorbereiden of vergemakkelijken van die uitlevering voor dat feitencomplex ten verzoeke van die opeisende partij. Een zodanige betrokkenheid heeft() de rechtbank niet kunnen vaststellen. Weliswaar is in het onderhavige geval gebleken dat de Bondsrepubliek Duitsland een eerder rechtshulpverzoek heeft gedaan mede ten laste van de opgeëiste persoon, doch dit verzoek was gericht op de vergemakkelijking van een opsporingsonderzoek in de Bondsrepubliek Duitsland kennelijk voor een feitencomplex mede begaan binnen de rechtsmacht van de Bondsrepubliek Duitsland al dan niet door de opgeëiste persoon. Dit rechtshulpverzoek had zelfs niet ten doel een uitlevering ten behoeve van de Bondsrepubliek Duitsland in te leiden. Uit niets kan blijken dat dit verzoek mede ten doel had "de zaak" -in casu: de uitlevering ten behoeve van de Verenigde Staten van Noord Amerika- voor te bereiden of te vergemakkelijken. Derhalve houdt de rechtbank het ervoor dat het geval als omschreven in artikel 20, tweede lid, van de Uitleveringswet zich nimmer heeft voorgedaan. Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen gronden kunnen vinden op basis waarvan de rechtbank van de onderwerpelijke vordering kennis zou kunnen nemen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd3d43efb9f7c4f5232e2cb422d0a9cc5bf2d7ba580a00d1bcd03f4e4aa61180. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd3d43efb9f7c4f5232e2cb422d0a9cc5bf2d7ba580a00d1bcd03f4e4aa61180, en de alinea staat in dat document op bytes 6398 tot 8992.