Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002
Alinea 17 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3561.
7. Artikel 20, eerste lid, van de Uitleveringswet (Uw) schrijft voor dat de minister van justitie het verzoek tot uitlevering in handen stelt van de officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de opgeëiste persoon zich bevindt. In het tweede lid is bepaald dat, indien eerder een verzoek tot voorlopige aanhouding is gedaan, de minister de stukken toezendt aan de officier van justitie die in verband daarmee reeds bij de zaak betrokken is geweest. Uit artikel 23 Uw volgt dat de rechtbank waarbij de officier van justitie werkzaam is aan wie de stukken op grond van het bepaalde in artikel 20 Uw zijn toegezonden, bevoegd is van de vordering om het verzoek tot uitlevering in behandeling te nemen, kennis te nemen (vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Fokkens voor HR 7 maart 2000, NJ 2000, 364).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd3d43efb9f7c4f5232e2cb422d0a9cc5bf2d7ba580a00d1bcd03f4e4aa61180. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd3d43efb9f7c4f5232e2cb422d0a9cc5bf2d7ba580a00d1bcd03f4e4aa61180, en de alinea staat in dat document op bytes 10342 tot 11183.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bd3d43efb9f7c4f5232e2cb422d0a9cc5bf2d7ba580a00d1bcd03f4e4aa61180 | shasum -a 256