Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3561.

8. Het middel voert terecht aan dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 20 Uw geenszins valt af te leiden dat de wetgever bij de regeling van de relatieve competentie in uitleveringszaken voor ogen heeft gestaan 'forumshopping' door de minister zoveel mogelijk te voorkomen. Dat standpunt vindt geen steun in de parlementaire geschiedenis van het oorspronkelijke artikel 20 Uw, tot stand gekomen bij wet van 9 maart 1967 (Kamerstukken II 8054), Stb. 1967, 139, terwijl de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van het huidige artikel 20, derde lid, Uw ter voorkoming van coördinatieproblemen de relatieve competentieregeling juist heeft verruimd (Kamerstukken II, 1981/82, 17397, nr. 3, blz. 7). De strekking van artikel 20 Uw is dan ook veeleer te bewerkstelligen dat er altijd een bevoegde rechtbank is en dat niet twee of meer rechtbanken tegelijkertijd het uitleveringsverzoek in behandeling nemen. Strakke voorschriften voor de relatieve bevoegdheid passen ook naar hun aard niet in een uit. Ik citeer de A-G Meijers in zijn conclusie voor HR 21 januari 1986, NJ 1986, 520:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd3d43efb9f7c4f5232e2cb422d0a9cc5bf2d7ba580a00d1bcd03f4e4aa61180. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd3d43efb9f7c4f5232e2cb422d0a9cc5bf2d7ba580a00d1bcd03f4e4aa61180, en de alinea staat in dat document op bytes 11222 tot 12337.