Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2002

Alinea 74 Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4075.

5.5. Subsidiair meen ik dat de zoëven bedoelde klachten (i) en (ii) afstuiten op gebrek aan belang. Ook bij het onder 5.3. gereleveerde onderdeel (iii) heeft [eiser] geen belang. Immers, uitgaande van de juistheid van een en ander, kon het hof niet tot een ander oordeel komen, en zou na eventuale vernietiging en verwijzing een volgende rechter niet tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat de vorderingen ten deze niet toegewezen konden worden in het licht van de vaststaande feiten en van de hierboven in §§ 4.1-4.4 weergegeven jurisprudentiële regels van de Hoge Raad.(17)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc2148914d7e3b171951bd063ed66dd2cd928feab84f57156db21a2175424e6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc2148914d7e3b171951bd063ed66dd2cd928feab84f57156db21a2175424e6d, en de alinea staat in dat document op bytes 26984 tot 27580.