Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4357.
Het nieuwe art. 260 Rv, dat strekt ter implementatie van art. 50 lid 6 TRIPs(10), zwijgt over de vraag wanneer de te bepalen redelijke termijn begint te lopen. Numann merkt daarover op dat het evenwicht waarop het HvJEG in de voormelde overweging doelt, door de rechter zal moeten worden gevonden.(11) Het hof Den Haag beslist dat de termijn begon te lopen vanaf de betekening van het arrest. De nadelen van dat aanvangstijdstip zijn door A-G Keus in zijn genoemde conclusie, onder 2.10, uiteengezet.(12) De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 april 2002 (Schieving-Nijstad/ Groeneveld) de door hem op drie kalendermaanden gestelde termijn laten ingaan op de dag na die waarop het arrest is uitgesproken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/249cc9779acc8be4bbc42416048623ff231ee8e7a2fc2bb413eccf910600b4ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 249cc9779acc8be4bbc42416048623ff231ee8e7a2fc2bb413eccf910600b4ae, en de alinea staat in dat document op bytes 14090 tot 14810.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/249cc9779acc8be4bbc42416048623ff231ee8e7a2fc2bb413eccf910600b4ae | shasum -a 256