Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2002

Alinea 118 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4366.

3.36 Hetgeen [eiser] c.s. te berde hebben gebracht, is in belangrijke mate nogal onaannemelijk. Hetgeen Akersloot daartegen in heeft gebracht, zoals weergegeven onder 2.11.1, heeft de Rechtbank klaarblijkelijk en allerminst onbegrijpelijk, heel plausibel geoordeeld, mede gelet op hetgeen omtrent (periodes van) schoolvakanties en algemeen erkende feestdagen van algemene bekendheid is. In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat [eiser] c.s. niet konden volstaan met het enkele in geding brengen van briefjes maar dat zij tevens hadden moeten aangeven (en tevoren uitzoeken) dat de daarop voorkomende data buiten de vakanties vielen. Het rechterlijk apparaat kan moeilijk worden verweten een dergelijk onderzoek, waar de eisende partij om haar moverende redenen van afziet, niet zelf uit te voeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2425ef51a51f88c6741fbddd5554fc70e0ffaa1142638d2d64e503b3faaee2b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2425ef51a51f88c6741fbddd5554fc70e0ffaa1142638d2d64e503b3faaee2b, en de alinea staat in dat document op bytes 44623 tot 45443.