Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Alinea 107 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4367.
4.3.2. Afgezien van de bij middel 1 behandelde klacht dat het hof ten onrechte ervan uitgaat dat sprake is van (omzetting van) een natuurlijke verbintenis, valt het middel de aan het hof toegeschreven gedachtegang aan, dat de vrouw bereid zou zijn geweest om (onverplicht) f. 70.000 aan de man te betalen [bedoeld is kennelijk: de verklaring van 31 maart 1994 af te leggen, A-G], ook als de vrouw toen voorzien zou (kunnen) hebben dat zij daarnaast zou worden geconfronteerd met een aanzienlijke alimentatieverplichting jegens de man ad ± f 3.000,- per maand. Nu zij dat destijds niet voorzag en niet kon voorzien, levert dat een onvoorziene omstandigheid op. En door dat te miskennen heeft het hof art. 6:258 BW geschonden, althans een onbegrijpelijke motivering gegeven, aldus nog steeds het middel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9c101f066552ac9a5ad2106db5f39126eacfc1be805eab24be99a595122e6fe2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9c101f066552ac9a5ad2106db5f39126eacfc1be805eab24be99a595122e6fe2, en de alinea staat in dat document op bytes 39432 tot 40248.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9c101f066552ac9a5ad2106db5f39126eacfc1be805eab24be99a595122e6fe2 | shasum -a 256