Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Alinea 174 Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4369.

7.3 De redelijkheid van de termijn moet beoordeeld worden aan de hand van de complexiteit van de zaak, de hoogte van de boete, de duur van de gehele procedure en van de onderdelen, het processuele gedrag van de belanghebbende, en de wijze waarop de fiscus en de rechter de zaak hebben afgehandeld (HR 26 oktober 1988, BNB 1989/16, met noot Scheltens). Belangrijk is vooral dat de procedure niet onnodig stilligt. Ik wijs met name op het arrest EHRM 28 mei 1998, Hozee v. Nederland, NJ 1998, 809, en op onderdeel 4 van de noot daarbij van Knigge. De gehele procedure vanaf het opleggen van de boete duurt thans (mei 2002) 5 jaar en enkele maanden. Ik merk daarbij op dat de inspecteur reeds in zijn brief van 10 september 1996 (bijlage 6 bij het vertoogschrift) vermeldt dat hij zich beraadt op een eventueel op te leggen boete, en bij brief van 10 januari 1997 (bijlage 7 bij het vertoogschrift) de boete heeft aangekondigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80fa59a13712f0fb82872ece5b0a3cb34f65275d9599dbf5fa6244c0d50f18ea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80fa59a13712f0fb82872ece5b0a3cb34f65275d9599dbf5fa6244c0d50f18ea, en de alinea staat in dat document op bytes 75699 tot 76637.