Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4378.

3.1. Het principale middel klaagt er mijns inziens terecht over dat geen rekening is gehouden met de kosten die een commerciële uitbater zou moeten maken om het zand te winnen. Indien uitgegaan wordt van commerciële exploitatie en de onteigende grond (deels) bestaat uit verhandelbaar zand, dan is een vergoeding voor de waarde daarvan aangewezen, waarbij rekening wordt gehouden met de kosten van afgraven, vervoer, en dergelijke. De rechtbank had moeten beoordelen welke waarde het (nog) niet afgegraven zand had voor de onteigende (of enige commerciële afgraver) ten tijde van de inschrijving van het onteigeningsvonnis, ervan uitgaande dat de onteigende juridisch in staat zou zijn om af te graven.Dit volgt uit HR 7 maart 1962 (Krimpen aan de lek/Groeninx van Zoelen), NJ 1962, 175, met conclusie Bakhoven:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7e25fd470e8351cd4e34809c432bafe0a37348479ff2a6df2dd8d199aff0e6c8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7e25fd470e8351cd4e34809c432bafe0a37348479ff2a6df2dd8d199aff0e6c8, en de alinea staat in dat document op bytes 9359 tot 10186.