Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4378.

3.3. In het thans te berechten geval moet bovendien onderzocht worden of de kosten van de "voorgeschreven wijze van afgraven onder water"(3) opgeroepen worden door de werkzaamheden waarvoor onteigend wordt (het graven van een tunnel voor de "Zuidtangent"), of ook gemaakt zouden worden door een uitbater die slechts het zand op een legale en rendabele wijze afgraaft. In het laatste geval moeten mijns inziens ook deze kosten in mindering komen op de handelswaarde van het zand.(4) Ik meen namelijk dat indien op basis van uw arresten Krimpen/Groeninx en Gelderland/Lubbers (HR 4 januari 1984, NJ 1985/48, met conclusie Moltmaker en noot MB) geen rekening gehouden mag worden met kostenvoordelen die ontstaan uit het werk waarvoor wordt onteigend, ook geen rekening gehouden mag worden met extra kosten die ontstaan als gevolg van de werkzaamheden waarvoor onteigend wordt (zoals mogelijk in casu die van "afgraven onder water," wat dat ook moge zijn). Het gaat er immers om welk bedrag een (niet-onteigenende) derde-exploitant zou betalen boven de agrarische waarde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7e25fd470e8351cd4e34809c432bafe0a37348479ff2a6df2dd8d199aff0e6c8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7e25fd470e8351cd4e34809c432bafe0a37348479ff2a6df2dd8d199aff0e6c8, en de alinea staat in dat document op bytes 12797 tot 13877.