Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2002
Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4430.
11. Aan de regeling van art. 3:310 lid 1 BW dat de aanvang van de verjaring koppelt aan "bekendheid met de schade en de dader" (in dit geding wordt terecht ervan uitgegaan dat deze bepaling van toepassing is) kleeft met name voor slachtoffers van sexueel misbruik het grote bezwaar dat zij veelal ook in geval van bekendheid nog lange tijd niet in staat zijn hun vordering geldend te maken omdat zij de misbruikervaringen nog onvoldoende hebben verwerkt om een zodanige stap te kunnen zetten. Aan dit bezwaar is tegemoetgekomen doordat in de rechtspraak, met name in het door het Hof genoemde arrest HR 23 oktober 1998, NJ 2000, 15 (m.nt. ARB onder NJ 2000, 16), de regel is aanvaard dat wanneer het niet geldend kunnen maken van een vordering voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat deze zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring een aanvang heeft genomen op het in art. 3:310 lid 1 omschreven aanvangstijdstip; in een zodanig geval moet worden aangenomen dat de verjaringstermijn eerst een aanvang neemt wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen. Van geval tot geval zal beoordeeld moeten worden of aan die voorwaarde is voldaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/23bbb2c5acb35bf1c4a271ffd37c3ce3d3a5a52cf04c669384a081df844b4eec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 23bbb2c5acb35bf1c4a271ffd37c3ce3d3a5a52cf04c669384a081df844b4eec, en de alinea staat in dat document op bytes 17068 tot 18396.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/23bbb2c5acb35bf1c4a271ffd37c3ce3d3a5a52cf04c669384a081df844b4eec | shasum -a 256