Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4430.

Het Hof heeft geconcludeerd dat de aan [eiser] toe te rekenen ziekte van [verweerster] ten tijde van de aangifte weliswaar in een zodanige fase was gekomen dat zij over het sexuele misbruik kon verhalen en zich ervan bewust was dat zij daardoor ziek was geworden, doch dat het doen van aangifte [verweerster] kennelijk zeer heeft opgebroken en dat haar ziekte haar tot in 1998 verhinderde haar rechten op schadevergoeding tegen [eiser] geldend te maken. Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, is het Hof niet ervan uitgegaan dat [verweerster] haar vordering wel geldend zou kúnnen maken om vervolgens op grond van een afweging van de kwade gevolgen die het verder ondernemen van stappen voor de gezondheid van [verweerster] zou hebben tot de slotsom te komen dat desalniettemin niet van [verweerster] kon worden gevergd dat zij de vordering geldend zou maken. Het Hof heeft aldus de juiste maatstaf toegepast. Het Hof heeft zijn oordeel ook uitvoerig gemotiveerd; van onbegrijpelijkheid is mijns inziens geen sprake.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/23bbb2c5acb35bf1c4a271ffd37c3ce3d3a5a52cf04c669384a081df844b4eec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 23bbb2c5acb35bf1c4a271ffd37c3ce3d3a5a52cf04c669384a081df844b4eec, en de alinea staat in dat document op bytes 19333 tot 20371.