Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002

Alinea 81 Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5130.

Ik meen dat de klacht afstuit op de tekst en de ratio van de bepaling. De bepaling spreekt van een vordering in te stellen door de gewezen huurder. Essentieel voor de toekenning van een naar billijkheid te berekenen vergoeding aan de huurder is dat de verhuurder, nadat de huurovereenkomst door opzegging zijnerzijds is geëindigd, voordeel geniet tengevolge van het feit dat het verhuurde vervolgens wordt gebezigd voor de uitoefening van een bedrijf, gelijksoortig aan het door de gewezen huurder aldaar uitgeoefende. Van belang is dat de huurovereenkomst is beëindigd, omdat pas dan kan worden vastgesteld dat de verhuurder daadwerkelijk de bedrijfsruimte voor een soortgelijk bedrijf gebruikt en welk voordeel hij geniet. Hieruit volgt dat de vordering van vergoeding moet plaatsvinden in een andere dan de beëindigingsprocedure. Aldus ook HR 10 maart 1989, NJ 1989, 490 (Schaap/Dam), waarbij wel aantekening verdient dat in die tijd (tot de wet van 31 januari 1991, Stb. 1991, 50) de procedure tot beëindiging van de huur nog een verzoekschriftprocedure was. Ook in de literatuur is dit de bovendrijvende mening; zie Huurrecht (Vrolijk), art. 1635a, aant. 12; Smits, Huurrecht bedrijfsruimten (1997), p. 232; Dozy & Jacobs, Hoofdstukken huurrecht (1999), p. 459). Anders (zonder vermelding van argumenten) Praktijkgids Onroerend Goed, IIC aant. 218, p. 434-440.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bbd3fe774ee5664159c32dd628befb7a9c0be3e7183207cc072704b9542f9a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bbd3fe774ee5664159c32dd628befb7a9c0be3e7183207cc072704b9542f9a2, en de alinea staat in dat document op bytes 41258 tot 42644.