Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 juli 2002

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 23 juli 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5205.

25. Nu ik ambtshalve overigens geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik dat de Hoge Raad de uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voor zover is verzuimd de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard te vermelden; dat de Hoge Raad die feiten, overeenkomst het door het Landgericht Osnabrück gewezen vonnis, zal omschrijven als "gemeinschaftlicher räuberischer Erpressung in Tateinheit mit Körperverletzung", gepleegd te Haselünne (Bondsrepubliek Duitsland) op 18 april 1999, "Betrug", gepleegd te Meppen (Bondsrepubliek Duitsland) op 15 maart 1999, en "vorsätzliches Fahren ohne Fahrererlaubnis in 44 Fällen", gepleegd te Meppen en op andere plaatsen in de Bondsrepubliek Duitsland, op tijdstippen in de periode van 17 maart 1999 tot en met 17 april 1999, en het beroep voor het overige zal verwerpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed1605403dc8f1cface1e70e9938b19a7018bdfca36f842401ca827ea1c8d8ef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed1605403dc8f1cface1e70e9938b19a7018bdfca36f842401ca827ea1c8d8ef, en de alinea staat in dat document op bytes 18228 tot 19083.