Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5572.

2.2.4. Middelonderdelen 3 en 5 bestrijden het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van een bijzondere geschiktheid van het onteigende voor het werk waarvoor het onteigend wordt, met motiveringsklachten. De Rechtbank heeft voor dat oordeel enerzijds verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1994 na conclusie van A-G Moltmaker, NJ 1995, 649 m.nt. Mörzer Bruyns (het Hoge Land van Stroe). Naar mijn mening heeft zij daarmee tot uitdrukking willen brengen dat de omstandigheid dat de hoge zandrug waarvan in het onderhavige geval sprake is, door de natuur is gevormd en derhalve niet voor rekening van de eigenaar AMEV is aangelegd en dat zij daarin geen investeringen heeft verricht, niet aan bedoelde bijzondere geschiktheid in de weg staat. Na het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1970, NJ 1970, 303 (het zogeheten Goeree-arrest) bestond er namelijk discussie over de vraag of voor het honoreren van de bijzondere geschiktheid het nodig is dat het onteigende door en voor rekening van de eigenaren is aangelegd dan wel of zij daarin investeringen hebben gepleegd. Deze vraag is door de Hoge Raad in het arrest Het Hoge Land van Stroe dus in negatieve zin beantwoord.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef8e8678230d7926d0caeb52756b68b3343167b82e061010babfba252b7fb0fc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef8e8678230d7926d0caeb52756b68b3343167b82e061010babfba252b7fb0fc, en de alinea staat in dat document op bytes 16250 tot 17450.