Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002
Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5618.
4.4. Voorts is van belang dat het Wetboek van strafvordering géén bepalingen kent met betrekking tot de tolk in het opsporingsonderzoek. Het EHRM heeft in de zaak [persoon 1](8) bepaald dat het recht op kosteloze bijstand door een tolk, als bedoeld in art. 6 lid 3 sub e EVRM, ook betrekking heeft op schriftelijke stukken en materiaal dat betrekking heeft op de procedure vóór de terechtzitting. Bovendien heeft de verdachte op grond van art. 6 lid 3 sub a EVRM het recht om onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gebracht van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Zich kennelijk bewust van het manco op dit gebied in ons Wetboek van strafvordering heeft het College van Procureurs-generaal op 11 juni 1996 de Richtlijn tolkenbijstand in het opsporingsonderzoek in strafzaken vastgesteld.(9) Deze richtlijn stelt als uitgangspunt dat "de verdachte bij het eerste (politie)verhoor wordt toegesproken in een taal die hij begrijpt".
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec0fb8782f8d6c0579d252a3a093e1461e1abdda87e94782a7964e0475326b9e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec0fb8782f8d6c0579d252a3a093e1461e1abdda87e94782a7964e0475326b9e, en de alinea staat in dat document op bytes 16033 tot 17031.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ec0fb8782f8d6c0579d252a3a093e1461e1abdda87e94782a7964e0475326b9e | shasum -a 256