Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5651.

4.2. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat bij een verdachte aan wie deelname aan een criminele organisatie is tenlastegelegd enige wetenschap dient te bestaan van de concrete door die organisatie beoogde strafbare feiten. Hij meent zich daarin gesteund te zien door de uitspraak van Uw Raad van 5 juni 2001 (HR NJ 2001, 518). Ik kan de steller in deze interpretatie van dit arrest niet volgen. Uit het genoemde arrest kan slechts worden opgemaakt dat, zoals Uw Raad ook al in HR NJ 1998, 225 uitmaakte, voor een veroordeling van art. 140 Sr vereist is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Die wetenschap kan zich bijvoorbeeld uiten in een door de verdachte zelf in het kader van die organisatie gepleegd strafbaar feit, anders dan de strafbare feiten die in de tenlastelegging van art. 140 Sr zijn opgenomen.(3) In het arrest van 5 juni 2001 kon uit de bewijsmiddelen evenwel slechts volgen dat de verdachte op de hoogte was van enkele in een samenwerkingsverband gepleegde overtredingen. Van enige wetenschap omtrent misdrijven kon uit de bewijsmiddelen niets worden afgeleid. De eerste volzin van de door de geëerde steller van het middel aangehaalde overweging van de Hoge Raad is enkel een inleiding op de tweede volzin. In die tweede volzin is te lezen dat de Hoge Raad vaststelt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte in zijn algemeenheid heeft geweten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De Hoge Raad verlangde dus niet dat er een zeker opzet op de beoogde misdrijven moest bestaan, maar constateerde een hiaat in de bewijsvoering. Om die reden volgde dus cassatie. Anders dan de steller van het middel, lees ik in dit arrest geen aanscherping van het opzetvereiste zoals dat door De Hullu in zijn noot onder HR NJ 1998, 225 is bepleit, namelijk dat de verdachte opzet dient te hebben op alle concreet door de organisatie beoogde (en tenlastegelegde) misdrijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8af306dfdba4984a88a92c4f37bb518b83df23a7a23f73d6aa9c311c7117140c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8af306dfdba4984a88a92c4f37bb518b83df23a7a23f73d6aa9c311c7117140c, en de alinea staat in dat document op bytes 14263 tot 16291.