Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2002

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5654.

Uit het voorgaande vloeit voort, dat het verweer van de raadsvrouw dient te worden verworpen. Voor zover de raadsvrouw van verdachte nog heeft betoogd, dat de officier van justitie in het onderhavige geval niet de bevoegdheid van artikel 151a Sv had mogen hanteren, nu er ook voor wat betreft de in zaak A telastegelegde feiten reeds sprake was van een bekende verdachte, overweegt het hof nog het volgende. Het hof is van oordeel, dat voornoemd betoog van de raadsvrouw berust op een verkeerde interpretatie van de feiten. Naar het oordeel van het hof, is verdachte eerst na het door het NFI uitgevoerde vergelijkend DNA-onderzoek (tevens) als verdachte in de in zaak A telastegelegde feiten aangemerkt. Nu er derhalve op het moment dat de officier van justitie het verzoek krachtens artikel 151a Sv deed, nog niet sprake was van een bekende verdachte, is die bepaling - en niet artikel 195a Sv - in casu terecht toegepast." (1)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e1685d8bdd0f4d8b57e4b02ac1787da2a63905c4260da0e10a1c592772a88ea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e1685d8bdd0f4d8b57e4b02ac1787da2a63905c4260da0e10a1c592772a88ea, en de alinea staat in dat document op bytes 13370 tot 14312.