Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2002
Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5674.
11. De omstandigheid dat het Hof zich niet nader heeft uitgelaten over de vraag welk van de in art. 269, eerste lid, Sv genoemde belangen er toe noopte de beslotenheid van de desbetreffende, aan de behandeling van de zaak tegen [medeverdachte] gewijde, terechtzittingen te handhaven, kan niet meebrengen dat zijn oordeel de grenzen van het begrijpelijke overschrijdt. In verband met het hier bestreden, in de zaak tegen verzoeker gegeven, oordeel was het Hof niet gehouden nader vast te stellen welk van de in art. 269, eerste lid, Sv genoemde gronden voor opheffing van de openbaarheid zich heeft voorgedaan. Het Hof behoefde in verband met die, in deze zaak genomen, beslissing slechts vast te stellen dat Rechtbank en Hof bij de behandeling van de zaak tegen [medeverdachte] één of meer belangen als bedoeld in art. 269, eerste lid, Sv aanwezig hebben geacht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4195bda297b5e3aed2c72315acbd56a5cd9ba65999e5a190b35bd5ae617bcc43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4195bda297b5e3aed2c72315acbd56a5cd9ba65999e5a190b35bd5ae617bcc43, en de alinea staat in dat document op bytes 17068 tot 17945.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4195bda297b5e3aed2c72315acbd56a5cd9ba65999e5a190b35bd5ae617bcc43 | shasum -a 256