Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5804.

16. Bij de beoordeling van deze onderdelen dient vooropgesteld te worden dat de vraag of de moeder (voldoende) feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de juistheid van haar stellingen zou kunnen blijken, een feitelijke vraag is waarvan de beantwoording aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden. Het oordeel van het Hof kan in cassatie derhalve slechts in beperkte mate worden getoetst. Daarbij heeft te gelden dat de omstandigheid dat ook een ander oordeel denkbaar is of zelfs meer voor de hand zou hebben gelegen, niet voldoende is om dat oordeel als onbegrijpelijk af te doen. Bovendien heeft te gelden dat instemming of berusting niet te snel mag worden afgeleid uit gedragingen of uitlatingen gedaan in de crisis van een dreigende echtscheiding. Vgl. J.R. Young, IPRax 1996, blz. 221 e.v., blz. 222/223. Dit een en ander in aanmerking genomen meen ik dat 's Hofs oordeel cassatietoetsing kan doorstaan. Ik licht dit als volgt toe.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e7e45f9a0585146c85045c3c49ed5ff6eb99f5649f787cf4eb14e4d79fd9af92. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e7e45f9a0585146c85045c3c49ed5ff6eb99f5649f787cf4eb14e4d79fd9af92, en de alinea staat in dat document op bytes 21817 tot 22804.