Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE5804.

26. De moeder heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de vader niet heeft berust in de beslissing van de moeder om na het vakantieverblijf in Nederland niet met de kinderen naar Canada terug te keren. De moeder heeft zich weliswaar in haar derde grief beroepen op art. 13 HKOV, maar heeft hierbij uitsluitend een beroep gedaan op andere in die bepaling genoemde weigeringsgronden. Eerst bij pleidooi heeft de moeder de stelling betrokken dat de vader naderhand heeft berust in de nieuwe verblijfplaats van de kinderen (pleitnotities onder 3b). Deze stelling moet echter worden beschouwd als een nieuwe grief, die door de appèlrechter buiten beschouwing moet worden gelaten, tenzij uit de stukken van het geding blijkt dat geïntimeerde ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat deze nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd zou worden betrokken. Zie H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2e dr. bew. door A. Hammerstein, 2001, blz. 34/35. Dit laatste heeft het Hof kennelijk niet aangenomen. De klacht faalt derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e7e45f9a0585146c85045c3c49ed5ff6eb99f5649f787cf4eb14e4d79fd9af92. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e7e45f9a0585146c85045c3c49ed5ff6eb99f5649f787cf4eb14e4d79fd9af92, en de alinea staat in dat document op bytes 30490 tot 31599.