Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE6876.

35. Naar ik meen zou strafmatiging op de aangevoerde grond de algemene regels doorkruisen die in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 zijn neergelegd omtrent de rechtsgevolgen die zijn te verbinden aan overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6 EVRM. Die regels houden onder meer in dat van strafvermindering wegens overschrijding van die termijn sprake is indien de stukken meer dan acht maanden na het instellen van het cassatieberoep de Hoge Raad bereiken. (In casu zijn de stukken bij de Hoge Raad ontvangen op 16 januari 2002, dus zes maanden en 24 dagen na het instellen van het cassatieberoep.) Zou daarnaast ook ernstige overschrijding van de in art. 365a, derde lid, Sv gestelde termijn tot strafmatiging moeten leiden dan zou dat een onoverzichtelijk stelsel opleveren. Daar komt bij dat bezwaarlijk valt in te zien welk additioneel belang van de verdachte door een overschrijding als de onderhavige in het geding komt naast dat van berechting binnen redelijke termijn. Tot het aannemen van een buitenwettelijke regel die de feitenrechter in een geval als thans voorligt zou verplichten tot toepassen van strafvermindering zie ik dan ook geen grond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcc88d3e7e0eb88311e8573f1a8ff0f37d213a18b65d725dc7499eb148e7c3a5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcc88d3e7e0eb88311e8573f1a8ff0f37d213a18b65d725dc7499eb148e7c3a5, en de alinea staat in dat document op bytes 23416 tot 24617.