Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002
Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7247.
4. Dit middelonderdeel moet naar mijn oordeel falen. De Rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 1 en 3 van haar beschikking uitvoerig aangegeven wat [verweerster] heeft aangevoerd ter motivering van haar betoog dat de beschikking waarvan beroep "via het arrondissementsparket" rechtsgeldig aan Cartiera is betekend" en dat bovendien de deurwaarder per aangetekende post op 21 februari 2001 vanuit Amsterdam een afschrift van het betekeningsexploit en van de beschikking van de Kantonrechter in de Nederlandse taal met een Italiaanse vertaling aan Cartiera heeft verzonden (tezamen met een op dezelfde datum per aangetekende post verzonden afschrift van een in een andere procedure tussen partijen gewezen vonnis) en dat Cartiera deze aangetekende postzending op 26 februari 2001 heeft ontvangen; de Rechtbank heeft tevens aangegeven welke bewijsstukken [verweerster] in dat verband heeft overgelegd. Daarbij is de Rechtbank kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat hier sprake is van een op de voet van art. 4 sub 8 (oud) Rv. verzonden aangetekende brief die kan worden beschouwd als een aan de eisen van het Betekeningsverdrag beantwoordende rechtstreekse toezending per post als bedoeld in art. 10 aanhef en onder a van dat Verdrag indien de aangetekend verzonden brief de in het buitenland bevindende geadresseerde daadwerkelijk heeft bereikt. (HR 31 mei 1996, NJ 1997, 29, met conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda). Zij heeft daarbij vastgesteld dat [verweerster] heeft aangevoerd dat zij in de periode februari en maart 2001 geen andere poststukken naar Cartiera heeft toegezonden. Zij heeft vervolgens vastgesteld, een vaststelling die in cassatie niet wordt bestreden, dat Cartiera heeft bevestigd noch ontkend dat zij op 26 februari 2001 twee aangetekende poststukken uit Amsterdam heeft ontvangen, dat Cartiera zich niet heeft uitgelaten over de identiteit van [betrokkene 1] die de poststukken volgens de Italiaanse PTT op 26 februari 2001 in ontvangst heeft genomen en dat Cartiera geen enkel bewijsstuk over heeft kunnen leggen van de bezorging van een poststuk met de beschikking op 13 maart 2001. Cartiera heeft wél, zoals het middelonderdeel betoogt, gesteld dat zij bestrijdt dat de beschikking waarvan beroep op 26 februari 2001 door middel van één van de aangetekende zendingen is bezorgd. In dat verband heeft Cartiera aangevoerd dat "onduidelijk is" in hoeverre de stelling van de Italiaanse post juist is dat de door hem gehanteerde nummers met de eerder genoemde Nederlandse nummers corresponderen. Cartiera heeft evenwel niet de inhoud betwist van de door [verweerster] overgelegde verklaring van [betrokkene 2] van de klantenservice van PTT Post dat uit onderzoek van PTT Post is gebleken dat Cartiera heeft verklaard de op 21 februari 2001 verzonden zending op 26 februari 2001 te hebben ontvangen. In dit licht bezien is niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank het betoog van Cartiera heeft gekwalificeerd als een "blote ontkenning" van de ontvangst van de beschikking op de datum die [verweerster] stelt, althans als een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de ontvangst van de beschikking op bedoelde datum. Aan haar oordeel dat Cartiera onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat zij de beschikking waarvan beroep op 26 februari 2001 heeft ontvangen, heeft de Rechtbank terecht de conclusie verbonden dat als vaststaand moest worden aangenomen dat Cartiera de beschikking waarvan beroep op 26 februari 2001 heeft ontvangen en dat voor bewijslevering van de zijde van Cartiera geen plaats meer was. De overweging van de Rechtbank dat Cartiera haar bewijsaanbod onvoldoende heeft gespecificeerd is een overweging ten overvloede, hetgeen ook duidelijk blijkt uit de door de Rechtbank gebruikte formulering. Oordelend dat Cartiera de beschikking waarvan beroep op 26 februari 20001 had ontvangen, heeft de Rechtbank terecht geconcludeerd dat de beschikking op die datum rechtsgeldig aan Cartiera was betekend en dat de beroepstermijn van twee maanden op die datum aanving en dat derhalve Cartiera met het op 10 mei 2001 ter griffie binnengekomen beroepsschrift niet binnen de voor haar geldende termijn hoger beroep heeft ingesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d841cfba5118288cdb089d65ddcf552ade3de57eb130447e28a876fa9d93f3ce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d841cfba5118288cdb089d65ddcf552ade3de57eb130447e28a876fa9d93f3ce, en de alinea staat in dat document op bytes 11880 tot 16061.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d841cfba5118288cdb089d65ddcf552ade3de57eb130447e28a876fa9d93f3ce | shasum -a 256