Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 november 2002

Alinea 66 Parket bij de Hoge Raad 29 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7345.

16) De in subonderdeel 1.9 voorgestelde klacht, gericht tegen r.o. 9 van het arrest van het hof faalt eveneens. Betoogd wordt dat, mede naar aanleiding van hetgeen uit de na het tussenvonnis gehouden getuigenverhoren en overgelegde producties naar voren is gekomen, onjuist althans onbegrijpelijk is dat het hof de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht achteraf niet onjuist heeft gevonden. Deze klacht miskent dat een beoordeling van de waarde die wordt toegekend aan getuigenverhoren en producties is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie kan slechts geklaagd worden over de onbegrijpelijkheid van een dergelijke beoordeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/589ca8df0b947df548d9d5a31cbe7386fb1c976a6c713be23a96dd8291113d19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 589ca8df0b947df548d9d5a31cbe7386fb1c976a6c713be23a96dd8291113d19, en de alinea staat in dat document op bytes 38395 tot 39070.