Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Alinea 101 Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7352.

4.25. Het passeren van het bewijsaanbod in r.o. 4.3 moet, voor zover dit bewijsaanbod betrekking heeft op bedoeld voorkeursrecht, worden bezien in het licht van (de in cassatie niet of tevergeefs bestreden) r.ovv. 3.5 en 3.19-3.24. Hierin heeft het hof uiteengezet waarom uit de door [eiser 1] aan een voorkeursrecht ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden geen voorkeursrecht kan worden afgeleid. De door [eiser 1] aan het voorkeursrecht ten grondslag gelegde zinsnede uit de brief van [verweerder 2] aan [eiser 1] van 1 mei 1997 ('Wij spraken verder af u over eventuele prijswijzigingen te informeren') is niet voldoende om te concluderen dat [verweerder 2] namens [verweerder 4] een rechtens afdwingbare toezegging heeft gedaan (r.o. 3.21), ook niet in samenhang met de toezegging van [verweerder 4] aan [eiser 1] om hem als eerste in te lichten over een eventuele verkoop van het huis (r.o. 3.23). Met andere woorden: ook voor wat betreft het voorkeursrecht heeft [eiser 1] niet aan zijn stelplicht voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1fb2a070553b87826e7d9badfe08cbc626afc8df6840ddeca54b191d6a73eb7a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1fb2a070553b87826e7d9badfe08cbc626afc8df6840ddeca54b191d6a73eb7a, en de alinea staat in dat document op bytes 32111 tot 33142.