Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7352.

De overeenkomst die [eiser 1] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, inhoudende dat [verweerder 4], indien hij het huis zou verkopen, dat eerst aan [eiser 1] zou aanbieden, in die zin dat [eiser 1] als eerste in onderhandeling zou mogen treden om het huis te kopen, is niet komen vast te staan (r.o. 3.5, r.o. 3.9). Er is slechts komen vast te staan dat [verweerder 4] aan [eiser 1] zijn bereidheid heeft geuit om [eiser 1] als eerste in te lichten over de verkoop van het huis en de vraagprijs (r.o. 3.6). Voor een bewijsopdracht aan [eiser 1] van de door hem gestelde afspraak met [verweerder 4] is geen aanleiding (r.o. 3.10).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1fb2a070553b87826e7d9badfe08cbc626afc8df6840ddeca54b191d6a73eb7a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1fb2a070553b87826e7d9badfe08cbc626afc8df6840ddeca54b191d6a73eb7a, en de alinea staat in dat document op bytes 12024 tot 12676.