Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Alinea 94 Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7352.

4.22. In r.o. 3.10 heeft het hof [eiser 1] vervolgens voorgehouden dat hij niet concreet heeft aangegeven op welke wijze hij het bewijs van de door hem gestelde overeenkomst met [verweerder 4] zou kunnen leveren. Op die grond heeft het hof het bewijsaanbod van [eiser 1] gepasseerd. Kennelijk, zo blijkt m.i. uit de voorgaande rechtsoverwegingen, heeft het hof hier het oog op de stelplicht van [eiser 1]: [eiser 1] heeft zijn bewijsaanbod niet onderbouwd met voldoende concreet en specifiek daartoe gestelde feiten en omstandigheden, te weten feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder 4] zich jegens [eiser 1] op een zodanig bepaalde - duidelijk omschreven - wijze heeft verbonden dat [eiser 1] in rechte aanspraak kan maken op nakoming van een onderhandelingsafspraak (vgl. de bewoordingen van de eerste zin van r.o. 3.6). [Eiser 1] had met andere woorden niet mogen volstaan met een weergave van een algemene grond waarop de vordering was gebaseerd, te weten: een onderhandelingsafspraak.(16)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1fb2a070553b87826e7d9badfe08cbc626afc8df6840ddeca54b191d6a73eb7a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1fb2a070553b87826e7d9badfe08cbc626afc8df6840ddeca54b191d6a73eb7a, en de alinea staat in dat document op bytes 28951 tot 29972.