Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002
Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7360.
Uw Raad heeft geoordeeld dat, nu in hoger beroep de toewijsbaarheid van de oorspronkelijke vordering geheel aan het oordeel van het hof onderworpen was, het hof de vrijheid had (en daarmee de plicht, zo voeg ik toe) om, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden ingevolge art. 48 Rv, te onderzoeken welke consequenties het andere oordeel over het succes van de bewijslevering had voor het al dan niet - geheel of gedeeltelijk - toewijsbaar zijn van de oorspronkelijke vordering. Nu de stellingen van de oorspronkelijk aanlegster(6) in hoger beroep gehandhaafd waren, oordeelde Uw Raad dat, ook indien zou moeten worden aangenomen dat de door de tegenpartij aangevoerde grieven ertoe strekten de grenzen van de rechtsstrijd te beperken tot de enkele vraag of voormeld bewijs geleverd is, zulks niet meebrengt dat de oorspronkelijk aanlegster geacht zou moeten worden haar stellingen te hebben prijsgegeven door niet (incidenteel) te appelleren tegen het tussenvonnis van de rechtbank en de daarin vervatte omschrijving van de bewijslast (7)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6bf595d52f1fb00f70bc4f827345be73f01423ee7c5b63743b20390ca7511b76. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6bf595d52f1fb00f70bc4f827345be73f01423ee7c5b63743b20390ca7511b76, en de alinea staat in dat document op bytes 17338 tot 18390.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6bf595d52f1fb00f70bc4f827345be73f01423ee7c5b63743b20390ca7511b76 | shasum -a 256