Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7369.

2.2. In onderdeel 1 wordt geklaagd dat de rechtbank in deze passage (i) het bepaalde in art. 7A:1631, lid 2, aanhef en onder b - bedoeld is kennelijk: lid 2, aanhef en onder a(6) -, BW heeft geschonden, (ii) in strijd met art. 176 (oud) Rv de feitelijke gronden van de vordering heeft aangevuld en (iii) haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De eerste klacht wordt toegelicht met de stelling dat de rechtbank uitsluitend acht had mogen slaan op de redenen van opzegging die de verhuurder in de brief van 12 december 1996 heeft opgegeven. In de opzeggingsbrief valt volgens het middelonderdeel niet te lezen dat het voor het voortbestaan van de onderneming van de verhuurder noodzakelijk is dat de dochter een positie in het bedrijf inneemt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cb7868c365e5b544583c8916cae96c00b73053a7510c7988be5ad62f8946ac3c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cb7868c365e5b544583c8916cae96c00b73053a7510c7988be5ad62f8946ac3c, en de alinea staat in dat document op bytes 13700 tot 14460.