Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002
Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7619.
9. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat het niet beëdigen van getuigen en deskundigen die ter terechtzitting een verklaring afleggen een substantiële nietigheid oplevert, ongeacht de vraag of die verklaring het bewijs van het tenlastegelegde betreft, dan wel inlichtingen omtrent de persoon van de verdachte, waarbij in 1929 werd overwogen dat het niet de bedoeling van de wetgever kon zijn om verklaringen die van invloed kunnen zijn op de straftoemeting niet met dezelfde waarborgen te omringen als die, welke het bewijs van het feit betreffen (HR 24 juni 1929, NJ 1929-1455; zie de noot van Van Eck onder HR 14 maart 1967, NJ 1967, 318). In dit laatste arrest overwoog de Hoge Raad weliswaar dat, nu de vader van de verdachte in die zaak omtrent het tenlastegelegde was gehoord, hij als getuige of deskundige was te beschouwen zodat hij had moeten worden beëdigd; maar dat impliceert niet dat een a contrario-redenering opgaat inhoudende dat voor andere punten die de rechter volgens de artikelen 348 en 350 Sv moet beantwoorden, de eis van beëdiging niet zou gelden. In deze zin ook Van Eck; idem Corstens, handboek, 3e, p. 558.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d, en de alinea staat in dat document op bytes 9641 tot 10796.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d | shasum -a 256