Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002
Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7619.
10. Deze rechtspraak evaluerende komt het erop neer dat de Hoge Raad eraan lijkt te hechten dat - buiten de verdachte en de benadeelde partij - alle personen die ter terechtzitting worden gehoord en aldaar een inlichting geven die voor enige, volgens de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing van belang is, als getuigen of deskundigen worden beschouwd, zodat zij dienen te worden beëdigd vooraleer zij hun inlichtingen geven. Aanstonds valt op dat de Nederlandse stijl van procederen grotendeels afhankelijk is van buiten de terechtzitting, nl. in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van onbeëdigde getuigen die zelden aan het ondervragingsrecht worden onderworpen. Niettemin: de mogelijkheid dat zulke getuigen alsnog, namelijk wanneer daaraan behoefte bestaat, voor de openbare terechtzitting worden opgeroepen om naar aanleiding van die verklaring te worden ondervraagd, maar nu na het afleggen van de eed of belofte, biedt een zekere compensatie voor de procespartij die het ondervragingsrecht wil uitoefenen. Vergelijk ook de relativering die Corstens in zijn handboek (3e, p. 558) geeft over de eis van beëdiging. Ik merk voor de volledigheid op dat indien geen beëdiging heeft plaats gevonden geen proces-verbaal van meineed kan worden opgemaakt (art. 295 Sv).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d, en de alinea staat in dat document op bytes 12615 tot 13911.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d | shasum -a 256