Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002

Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7619.

13. In het hierboven genoemde initiatief-wetsvoorstel van het kamerlid Dittrich was de aanvankelijke keuze voor een spreekrecht van het slachtoffer of nabestaande ingebed in diens positie van getuige (TK 27 632, nr 3, § 9). Dat betekent dat het slachtoffer als getuige wordt beëdigd en dat hij naar waarheid dient te verklaren. Ter terechtzitting zullen zowel de rechter, de officier van Justitie als de verdediging hem kunnen bevragen. Aangezien het spreekrecht maar een beperkt onderwerp betreft, werden geen nare situaties verwacht omdat het spreekrecht (en daarmee het vraagrecht) niet de toedracht van het feit betreft. Een sui-generis positie voor het slachtoffer werd afgewezen omdat zonder beëdiging de verklaring niet onder het beslag van de verplichting om de waarheid te spreken valt. Dat kan de verdachte in een nadelige positie brengen; ook zeker op gespannen voet staan met de waarborg van het eerlijke proces in art. 6 EVRM, indien de verdediging niet het recht krijgt om een niet-beëdigd slachtoffer over diens verklaring te bevragen. De optiek van het oorspronkelijke wetsvoortel spoort met de aanbeveling van de Verenigde Naties (resolutie 40/34 van 1985, onderdeel 6b), waarin onder meer valt te lezen dat

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7bd6b2d425e3ed06f60279687637a42f904db7ccb0445cc28d4d170e321415d, en de alinea staat in dat document op bytes 16318 tot 17560.