Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7656.

6.3 De derde klacht faalt mijns inziens eveneens. Het oordeel dat [verweerster] geen schadevergoeding aan haar vader als werknemer verschuldigd zal zijn bij de beëindiging van de dienstbetrekking als gevolg van liquidatie van de onderneming, is geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, gezien de door de Rechtbank overgenomen overwegingen dat in casu een ontslag als gevolg van onteigening en gedwongen liquidatie niet als onredelijk beschouwd zal worden en dat er voldoende tijd ligt tussen de onteigening en de sluiting van het bedrijf (voortgezet gebruik). Dat in andere zaken, met andere feitelijke omstandigheden, wel eens rekening gehouden is met een schadepost personeel bij gedwongen inkrimping als gevolg van onteigening, maakt het feitelijke oordeel in onze zaak niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c543d1be7928bc3c3835db55f00efb74ed0c87f1c7631c37204125b58b969340. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c543d1be7928bc3c3835db55f00efb74ed0c87f1c7631c37204125b58b969340, en de alinea staat in dat document op bytes 34796 tot 35615.