Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 oktober 2002

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 22 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7659.

11. Heeft de wetgever een schriftuur met uitsluitend een middel met die klacht beschouwd als een schriftuur in de zin van art. 437, tweede lid, Sv? Een rechtstreeks antwoord op die vraag is in de stukken van de totstandkoming van de Wet van 28 oktober 1999 niet te vinden. Er zijn wel aanknopingspunten. De wetgever wilde ongemotiveerde en in die zin oneigenlijke beroepen in cassatie weren en stelde daarom de eis dat een advocaat een middel van cassatie tegen de bestreden uitspraak zou indienen, er daarbij van uitgaande dat in het algemeen de advocaat zijn cliënt zal adviseren geen beroep aan te tekenen of het ingestelde beroep in te trekken indien er geen middel tegen de uitspraak te formuleren valt. Een beroep dat geen enkel middel van cassatie bevat tegen de bestreden uitspraak en alleen klaagt over het tijdsverloop voordat de Hoge Raad heeft vastgesteld dat er kennelijk geen voor de Hoge Raad aan te voeren bezwaren tegen die uitspraak bestaan, is het ongemotiveerde beroep waar de wetgever nu juist vanaf wilde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/30ff279dfe8a0430e608c14f492aa1c3cfe70000fab50e0c451385a41a4f5e3b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 30ff279dfe8a0430e608c14f492aa1c3cfe70000fab50e0c451385a41a4f5e3b, en de alinea staat in dat document op bytes 12259 tot 13300.