Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 oktober 2002

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 22 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7696.

9. Ook die klacht is ongegrond. Verdachte heeft zich, zoals dat ook het geval was in de zaak die leidde tot HR NJ 1999, 402, willens en wetens in een situatie gebracht waarin een reactie als heeft plaatsgevonden van de zijde van het latere slachtoffer te verwachten was. Onder dergelijke omstandigheden kan, ook al zou een levensbedreigende situatie zijn ontstaan, van noodweer geen sprake zijn. Het Hof concludeerde dan ook dat het bewezenverklaarde schieten op [slachtoffer 1] onder deze omstandigheden niet gerechtvaardigd of verontschuldigd kan worden geoordeeld op grond van noodweer respectievelijk noodweerexces. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting (vgl. HR NJ 1989, 389, m.nt. ALM, HR NJ 1990, 48, m.nt. 'tH, HR NJ 1990/353, m.nt. 'tH, HR NJ 1996, 753; NJ 2001, 11 m.nt. dH). Tegen de achtergrond van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden is het oordeel bovendien, zoals hierboven al is vastgesteld, niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38bc907e67a7cb244992f2606b1a448896fcadf52f78b0a43ce5c38f83c05213. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38bc907e67a7cb244992f2606b1a448896fcadf52f78b0a43ce5c38f83c05213, en de alinea staat in dat document op bytes 15071 tot 16055.