Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7842.

cliëntnummer. Voldoende is, aldus de Raad, dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Ook het in art. 3:239 lid 1 neergelegde voorschrift van registratie van de onderhandse akten van verpanding van vorderingen op naam wettigt niet het stellen van strengere eisen, zo besluit de Raad. Zie ook HR 19 september 1997, NJ 1998, 689 m.nt. WMK waarin eveneens expliciet wordt overwogen dat het voor de geldigheid van de levering (en daarmee dus ook voor de verpanding) niet noodzakelijk is in de akte de debiteur te vermelden, zolang de overige gegevens een vaststelling van de vordering mogelijk maken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fde6a4b3aaa0364a75de28388b3ecc3418b919adf6213e3585d498be6cb4df99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fde6a4b3aaa0364a75de28388b3ecc3418b919adf6213e3585d498be6cb4df99, en de alinea staat in dat document op bytes 14810 tot 15510.